Kinderen met ADHD/ADD verschillen, in sommige opzichten, niets van ander 8- of 10-jarigen: ze onderbreken je als je aan de telefoon bent, krijgen af en toe een driftbui op het feestje van een vriendje of praten hard (oké: roepen) onder het eten.

Alleen lijken AD(H)D-kinderen deze dingen vaker, meer energiek, dan hun niet-ADHD leeftijdsgenoten te doen.

Onze kinderen maakten voor het eerst kennis met Goede Manieren toen ze peuters waren. Sociale vaardigheden thuis oefenen werkte én was leuk. ‘Goedemorgen, heb je lekker geslapen, mama?’ vroegen ze en ik antwoordde dan met ‘Goedemorgen! Ik heb lekker geslapen, wat lief dat je dat vraagt. En jij?’.

En ook al moet ik mijn ADD-kind er vaker aan helpen denken om ‘alsjeblieft’ of ‘dankjewel’ te zeggen, het blijkt dat hij wel vaart bij de duidelijkheid die Goede Manieren geven. Want eigenlijk zijn Goede Manieren niet meer en niet minder dan regels over hoe je met elkaar omgaat.

De voordelen van Goede Manieren gaan veel verder dan de trots die je voelt als je kind laat zien dat het beleefd is. Goede Manieren aanleren zorgt er voor dat een afgeleid kind moet focussen op de wereld om hem heen – hij leert dat wat hij zegt invloed heeft op de gevoelens van anderen. Goede Manieren zorgen er ook voor dat sociaal onhandige kinderen opbloeien in gezelschap: Zijn omgeving reageert enthousiast op hem, omdat hij de juiste toon weet aan te slaan. En succes in gezelschap zorgt er voor dat zijn zelfvertrouwen de broodnodige boost krijgt.

Hier lees je wat tips om de Goede Manieren van je AD(H)D-kind (en je andere kinderen) bij te schaven:

Leef goede manieren voor

Maak oogcontact met de mensen met wie je praat, schenk aandacht aan de persoon die je bij jou thuis onvangt, zeg ‘alsjeblieft’, ‘dankjewel’ en ‘sorry’ – als jij het zelf doet zijn de kansen groot dat je kinderen het overnemen. Het is belangrijk je kind te behandelen zoals je zelf ook behandeld wilt worden: val hem niet in de rede als hij met een vriendje zit te kletsen of aan de telefoon een gesprek heeft. Leg uit dat je dezelfde beleefdheid ook van hem verwacht.

PROBEER DIT EENS: Schrijf op een correspondentiekaartje wat je moet zeggen als je de telefoon opneemt, en bewaar dat in de buurt van de telefoon of hang het op. Help je kind er aan denken dat hij het kaartje gebruikt telkens als hij de telefoon opneemt en voor je het weet is deze routine een 2e natuur geworden.

Netjes blijven zitten bij een oefenetentje

In plaats van je kind steeds met aanwijzingen te bestoken bij elke maaltijd, kies je één keer per week een maaltijd uit waarop tafelmanieren, zo gezegd, het ‘hoofdgerecht’ zijn. Vertel van te voren welk gedrag je verwacht: ‘dankjewel’ zeggen als iemand je een bord aangeeft, eten met mes en vork, interesse tonen in wat de ander te zeggen heeft – en neem het voortouw bij het oefenen hiervan.

Voorbereiden eer je onder de mensen komt

Als je kind naar een verjaardagsfeestje van een vriendje gaat of naar een ander sociaal gebeuren, oefen dan vooraf wat er van hem verwacht wordt: wanneer zeg je ‘hallo’, ‘dankjewel’, ‘sorry’ en ‘tot ziens’, bijvoorbeeld. Laat hem de regels en verwachtingen herhalen tegen jou, zodat je weet dat hij het goed begrepen heeft.

PROBEER DIT EENS: Bereid je kind een dag van te voren voor. Als je weken van te voren begint is je kind het of vergeten of hij is zo onrustig door de druk dat het alleen maar moeilijker wordt Goed Manieren te laten zien op de grote dag zelf.

Geef complimenten

Complimenteer je kind als hij zich beleefd gedraagt. Complimentjes horen bij de lange weg die een kind moet gaan om een nieuwe vaardigheid te leren. Je kan bijvoorbeeld zeggen, ‘Ik zag dat je je Nintendo even weglegde en hallo zei tegen tante Patricia toen ze kwam. Dat was heel netjes van je!’ Of geef hem een fysieke aanmoediging – een schouderklopje of knuffel – om te laten merken dat hij het goed deed.

Maak er een spelletje van

Maak gebruik van het spelenderwijs leren van je kind, door prikkelende spelletjes te verzinnen. Bijvoorbeeld, je kan een quiz bedenken over hoe je je tijdens de feestdagen hoort te gedragen. Vraag bijvoorbeeld ‘Wat mag je in de kerk doen?’ Antwoord A: Roepen en gillen, antwoord B: in het bankje blijven zitten en fluisteren als je iets wilt zeggen of antwoord C: rondrennen in het gangpad en op de banken staan. Als het verkeerde antwoord gegeven wordt, leg dan uit waarom dat niet kan.